De keuze van het juiste bedlaken is niet eenvoudig. Er zijn immers veel alternatieven op de markt die sterk verschillen in prijs, kwaliteit en grondstof (katoen, bamboe, linnen, microfiber,...) waaruit ze gemaakt zijn.

In het algemeen gaat men er echter van uit dat katoenen dekbedovertrekken nog steeds de beste prijs/kwaliteit leveren qua duurzaamheid, onderhoud, textuur, kleurvastheid,….Aan de hand van het fabricageproces willen wij u dan ook helpen en wegwijs maken in uw keuze voor het juiste bedlaken.

Het plukken van de bollen

Katoen is nog steeds ‘s werelds belangrijkste grondstof in de textielindustrie, het is de grondstof voor bijna 40 procent van alle textiel. De katoenplant floreert voornamelijk in streken met lange het zomers en een lage luchtvochtigheid. De katoenplant bestaat uit een stengel met bovenaan een katoenbol, deze bol bestaat voornamelijk uit zaadpluis. Dit zijn spiraalvormige vezels van ongeveer 2,5 cm lang waaraan zaadjes zijn bevestigd. Hierdoor kunnen de zaadjes, zoals bij een paardenbloem, makkelijk door de wind opgepikt en verspreid worden. Maar zo ver komt het niet. Voor dat het zaad de kans krijgt om er vandoor te gaan wordt deze machinaal of met de hand geplukt.

De katoenbollen gaan vervolgens in een ontkorrelmachine, deze machine gaat de katoenvezels van de zaden scheiden. Van de zaden wordt katoenzaadolie gemaakt, de rest, ongeveer 33 % van het pluksel zijn katoenvezels geschikt voor de textielindustrie. De kwaliteit en de prijs van deze vezels wordt bepaald aan de hand van de lengte. Langstapelige vezels zijn beter en duurder dan kortstapelige vezels.

De belangrijkste drie katoensoorten hebben een verschillende vezellengte:

1. Gossypium barbadense:

Deze vooral in Egypte, Sudan, India, Peru en de USA geteelde soort zorgt wereldwijd voor drie tot vier procent van de oogst. Omdat ze bijzonder langstapelig (29 tot 34mm) is, worden hiermee de fijnste garen geproduceerd, dit is geschikt voor hoogwaardige textiel.

2. Gossypium hirsutum:

Belangrijkste katoensoort van de middelste stapellengte (25 tot 28mm). Geteeld over de hele wereld (voornamelijk de USA, Brazilië, Pakistan, Turkije, voormalige USSR).

3. Gossypium herbaceum:

In Pakistan, China en India geteelde, kortstapelige soort (<25mm).

Na de ontkorrelmachine worden de vezels verpakt in balen en verscheept over de hele wereld voor verdere verwerking en het spinnen van de vezels tot katoendraden om textiel te weven.

Het kaarden en kammen van de vezels

Voordat men tot het spinnen overgaat gaat men eerst de ruwe katoenvezels “kaarden” en eventueel ook “kammen”.

Het “kaarden” werd vroeger met de hand gedaan, tegenwoordig machinaal. Het kaarden bestaat uit twee plankjes (de kaarden) met kleine metalen haakjes op. Deze haakjes worden gebruikt om de katoenvezels te scheiden, het grove vuil wordt uit de katoenvezels gehaald en door korte trekkende bewegingen worden de vezels één kant op getrokken.

Het “kammen” van katoen (combed cotton) is een proces dat een extra kwaliteitsniveau aan de katoenvezels gaat toevoegen. Bij het “kammen” worden de katoenvezels door een reeks rechte, metalen tanden gevoerd om de vezels parallel naast elkaar te leggen (in tegenstelling tot enkel “kaarden”). De vezels worden vervolgens in een lange lijn samengevoegd, en worden dan gebruikt om een gladde, gelijkmatige draad te spinnen. Door dit proces worden lange vezels ook gescheiden van kortere vezels en worden alle knopen verwijderd. Tegelijkertijd wordt praktisch al het vuil uit de vezels verwijderd. In het algemeen zijn gekamde katoenvezels dus schoner, fijner, sterker, duurzamer en stralender dan enkel gekaarde vezels.

Het spinnen tot draad (garen)

De losse katoenvezels zijn echter nog niet geschikt om mee te weven, dit gebeurt door de katoenvezels te spinnen, dit is het ineendraaien van losse vezels tot draad. Het spinnen is erop gebaseerd dat door het in elkaar draaien van de losse vezels, er een langere en sterkere draad ontstaat.

Het spinnen tot een katoendraad van gekaarde of gekamde katoenvezels gebeurt heden ten dage vooral door rotor spinnen of ringspinnen.

Rotor spinnen is een mechanische techniek waarbij de katoenvezels in een roterende trommel worden geblazen. Het principe werkt ongeveer hetzelfde als lakens in een droogtrommel. Als u tijdens het drogen de deur zou opendoen en er één laken uittrekt, zal u merken dat de andere lakens er rond verstrengeld zijn, zo worden ook de vezels tot een uniforme draad gesponnen. Deze techniek wordt ook veel toegepast om kunststofvezels te maken.

Het ringspinnen is een andere techniek, die reeds in de 19de eeuw werd uitgevonden en voortdurend verder ontwikkeld is. Dit spin proces verloopt langzamer dan rotor spinnen en is veel arbeidsintensiever en duurder. De katoenvezels worden snel rond een ringmechanisme gedraaid (vandaar de term) op een grote spoel, hierdoor krijgt men zeer fijne garens en, belangrijker, al de vezels worden in een consistente richting verdraaid en in een strakke soepele draai gesponnen, dit produceert katoendraad die zeer fijn, glad en zacht is. Door de spanning en het fijnere weefwerk zijn deze ring gesponnen garens niet enkel lichter maar ook veel duurzamer dan rotor gesponnen katoengaren. De garens zijn allemaal in een consistente richting gedraaid, hierdoor is er immers minder kans dat de gesponnen strengen rafelen of breken.

Rotor gesponnen katoendraad heeft dit proces niet ondergaan, hoewel het perfect bruikbaar is, is het veel grover – als men dit onder een microscoop legt zal men zien dat dit niet consistent ineengedraaid is, maar eerder gerafeld en gekarteld. Rotor gesponnen katoendraad is goedkoper, maar minder kwaliteitsvol en pluizig. Zulke katoendraad wordt daarom vooral gebruikt voor de productie van denim, handdoeken, t-shirts, overhemden en broeken.

Enkeldraads vs getwijnde draad (single ply vs multi ply)

Een enkele gesponnen katoendraad is soms te dun of te zwak, daarom kan deze na het spinnen nog getwijnd worden. Twijnen is het in elkaar draaien van ten minste twee draden. Een getwijnde katoendraad geeft een nog sterker eindproduct, dat duurzamer maar veel harder is dan enkeldraads geweven producten. Stoffenfabrikanten gebruiken bijvoorbeeld vaak getwijnd garen in de ketting (de garen die over de lengte van de stof loopt) en enkeldraadse garen voor de inslag (het dwars over de stof geweven garen).

Bij katoenen bedlinnen wordt meestal geopteerd voor alleen enkeldraadse garen, deze zijn fijner en geven een veel zachter gevoel aan de stof. Bovendien kunnen enkeldraadse garen enkel gemaakt worden van langstapelige kwaliteitsvolle katoen.

Het weven

Van zodra katoen verwerkt is van ruwe garens tot een geschikte textieldraad voor bedlinnen of kledij. Kan men aan het weefproces beginnen.

Tijdens het weven komen de katoendraden onder grote druk te staan, daarom is het noodzakelijk deze vooraf te behandelen met een stijfsel. Dit stijfsel is meestal een zetmeelproduct, veelal op basis van rijst of tarwe. Door de garens in een stijfseloplossing te spoelen, vormt zich een beschermend laagje dat zorgt voor extra versteviging van de vezels. De katoendraden zullen hierdoor minder snel knappen tijdens het weven.

Het weefsel is de manier waarop de draden in het textielproduct door elkaar gehaald zijn. Het uiterlijk en de samenhang in het product en eigenschappen als sterkte en vervormbaarheid worden door dit weefsel bepaald. Een weefsel bestaat uit kettingdraden, die in de lengterichting lopen en inslagdraden die in de breedterichting lopen.

Voor het weven spant men een aantal draden in verticale richting parallel op. De constructie waarop dit gebeurt heet scheren. De opgespannen draden heten schering. Soms moeten deze scheringdraden (of kettingdraden) gelijmd (gesterkt) worden om meer veerkracht en weerstand te hebben tegen breuk tijdens het weven. Vervolgens worden één voor één andere draden haaks hierop, op horizontale wijze tussen de schering door, in het weefgetouw ingelegd. Deze draden heten inslagdraden. Door het weefgetouw kunnen de draden van de schering (of ketting) per groep worden opgetild door schachten of kammen. Door in een bepaald patroon de kettingdraden op te tillen of te laten vallen, ontstaan welbepaalde ingeweven patronen (bindingen), die soms heel ingewikkeld kunnen zijn.

De verschillende bindingen geven verschillende typen stoffen. In het algemeen kan men drie hoofdbindingen onderscheiden:

1. De platte of lijnwaadbinding: Dit is het eenvoudigste en oudste weeftype. Bij een lijnwaadbinding loopt iedere inslagdraad afwisselend over en onder een kettingdraad en iedere kettingdraad afwisselend over en onder een inslagdraad. Deze binding is de eenvoudigste en meest gebruikte binding: bedlakens, tafelkleden, hemden, bedrukte stoffen, wandtapijten ... zijn meestal in lijnwaadbinding gemaakt. De lijnwaadbinding is een sterke, vaste binding. Het is de binding met het groots mogelijke aantal verbindingen tussen ketting- en inslagdraden, hierdoor heeft het een stevige, sterke textuur en zal het niet snel uitrafelen. Nadeel is dat het sneller kreukt en minder goed absorbeert, waardoor bijvoorbeeld vlekken sneller zichtbaar zijn.

Voorbeelden van stoffen met een lijnwaadbinding zijn; chiffon, organza, percale, taf,…

Katoenen bedlinnen zijn dikwijls percale geweven, dit resulteert in een matte afwerking en geeft een fris, koel gevoel dat verbetert bij elke wasbeurt. De superieure duurzaamheid van dit weefsel betekent dat het niet in de loop van de tijd zal pilleren. Het is licht en ademend, wat perfect is voor onder te slapen in warme temperaturen.

2. De keperbinding of twill: Hierbij verplaatst men voor iedere inslag het bindpunt zijwaarts in één richting. Hierdoor schuiven de bindpunten van de draden progressief op in schuine lijn. Keperbinding geeft een meer soepele en kreukloze stof dan een lijnwaadbinding: keper heeft immers minder verbindingen tussen de kettingdraden en inslagdraden. Op het oneffen oppervlak van een keperbinding zijn vlekken minder opvallend dan op het gladde oppervlak van een lijnwaadbinding daarom wordt de keperbinding vaak gebruikt voor stevige, duurzame (werk)kleding, uniformen, kostuumstoffen, gordijnen,....

Voorbeelden van stoffen met een keperbinding zijn; denim (jeans), chino, gabardine,…

3. De Satijnbinding: Bij deze binding raken de bindpunten elkaar niet, ze liggen regelmatig verspreid in het weefsel. Alhoewel satijn ook een richting heeft, zien we die niet zo duidelijk als bij een keper (waar de bindpunten een duidelijke keperlijn vormen). Satijnbinding geeft soms een glanzend effect, bv als zijde als materiaal gebruikt is. Wellicht daarom worden soms glanzende weefsels, die niet in satijnbinding geweven zijn als satijn benoemd.

Met deze techniek kunnen draden heel dicht op elkaar geweven worden, waardoor het weefsel zeer soepel wordt. Als glanzende inslagdraden en matte kettingdraden gebruikt worden is de onderkant dof, maar de bovenkant glanzend door de losliggende inslagdraden, er is dus steeds een merkbare boven en onderkant. De glanzende bovenkant geeft het weefsel een luxe uitstraling.

In de volksmond wordt dikwijls verwezen naar satijn als een apart type van stof, dit is echter een verwarring. In het engels is het verschil iets duidelijker en spreekt men van “satin” en “sateen”. Beiden zijn geweven met een satijnbinding, maar gemaakt uit verschillende vezels. “Satin” werd oorspronkelijk gemaakt van 100% zijden draad, omwille van kostenbesparing wordt dit echter tegenwoordig steeds meer gemaakt van nylon of polyester of een combinatie van alle drie de vezels samen.“Sateen” daarentegen is gemaakt van 100 % katoen, dit materiaal heeft hetzelfde glanzende effect maar is sterker en duurzamer dan “satin” en kan ook probleemloos in een wasmachine worden gestoken. Deze stof wordt veelvuldig gebruikt voor de bekleding van meubels of het maken van bedlinnen.

Flanel is een gelijkaardig voorbeeld. Flanel werd oorspronkelijk enkel gemaakt van gekaarde wol, maar wordt heden ten dage vaak geweven met katoen of synthetische vezels. Flanel wordt meestal met een lijnwaad of twillbinding geweven, de inslagdraden worden extra geborsteld zodanig dat hun vezels omhoog komen te staan (raising), dit geeft het dat kenmerkende extra zachte, pluizige en warme gevoel. Flanel is dan ook ideaal voor tijdens de wintermaanden.

Welk soort weefgetouw er gebruikt wordt hangt af van welke stukken er juist moeten geweven worden. Bedovertrekken worden bijvoorbeeld meestal geweven met “air-jet looms”, dit weefgetouw gebruikt lucht om de inslagdraden met een zeer hoge snelheid door de kettingdraden te schieten. Zo wordt ongeveer 14 cm stof per minuut geweven (9,14 m per uur).

Deze “air-jet looms” worden gebruikt om ook andere standaard huishoudelijke en kledingstoffen te produceren, items zoals hemden, spijkerbroeken, denim, lakens, handdoeken, sportkleding, enz. Dit type weefgetouw kan ook zwaardere garens aan. Air-jet looms zijn daarom pefect in staat om ook plaids te weven, evenals dobby- en jacquard-stoffen (dewelke speciale satijnbindingen zijn).

Thread count

De thread count verwijst naar het aantal draden dat is geweven in een vierkant stukje stof. Naarmate de draadtelling toeneemt, wordt het weefsel zachter, dichter en warmer.

Een hoge thread count resulteert evenwel niet noodzakelijkerwijs in een hogere kwaliteit, veel fabrikanten nemen immers alle draden van getwijnde garen (van een lage kwaliteit) mee in rekening, dit zal resulteren in een zeer hoge thread count, maar hoegenaamd niet in een superieure kwaliteit!

De Afwerking

Schuren en bleken:

Het schuren is een chemisch wasproces uitgevoerd op het katoenweefsel, nog aanwezige onzuiverheden en het stijfsel worden zodanig uit het weefsel verwijderd. Na dit stadium zijn zelfs de meest natuurlijk witte katoenweefsels nog geel of grijsachtig (greige) en is bleken noodzakelijk.

Door het bleken zal het katoen terug wit worden en de allerlaatste verontreinigingen verwijderen, dit zal ook het absorptievermogen van de stof verbeteren.

Katoen dat een plantaardige vezel is, wordt gebleekt met een oxidatiemiddel, zoals verdunde natriumhypochloriet of verdunde waterstofperoxide. Als de stof achteraf in een bepaalde kleur moet geverfd worden, is een lager bleekniveau voldoende. Voor witte lakens of textiel voor medische toepassingen wordt echter steeds het hoogste bleekniveau toegepast.

Merceriseren:

Dit proces verbetert de scheursterkte, kleuropname, krimpsterkte en geeft de stof een zijdeachtige glans. Het is een extra behandeling van het katoen met natriumhydroxide. Mercerisatie kan worden uitgevoerd op de vezels, op de draden of op het reeds gemaakte weefsels. We spreken van dubbele mercerisatie wanneer zowel de garens als het eindproduct behandeld zijn. Deze behandeling is zeer intensief en enkel mogelijk bij garens en stoffen van zeer hoogwaardige kwaliteit.

Schroeien:

Het oppervlakte van het weefsel wordt afgebrand, zodanig dat alle losse vezels worden verwijderd en het heel glad wordt. Deze stap zorgt dat de stof niet gaat pluizen en het printen van kleuren en patronen vlot verloopt.

Sanforisatie:

Tijdens dit machinaal proces wordt het weefsel in de lengte en de breedte uitgerekt en gekrompen. Dit vermindert achteraf het krimpen na een wasbeurt.

Kalanderen:

Het weefsel wordt door een reeks harde drukrollen geperst, het is een soort van strijkproces op hoge snelheid. De stof wordt hierdoor zeer glad en krijgt een licht reflecterende oppervlakte. Dit effect is meestal tijdelijk en zal na de eerste wasbeurt verdwijnen.

Verven en printen:

Bij het verven van textiel wordt het materiaal door het inbrengen van kleurstoffen gekleurd. Het verven kan tijdens de hele productieketting gedaan worden; losse vezels, gesponnen garen (draadverf), weefsels of kant en klare stukken (stukverf) kunnen geverfd worden.

De textielindustrie gebruikt bijna uitsluitend synthetische kleurstofgroepen. Het kenmerkende verschil tussen de verschillende groepen is de chemische structuur. Welke kleurstofgroep wordt gebruikt is afhankelijk van het soort te verven materiaal, de kostprijs en de gewenste echtheden. (De lichtechtheid bijvoorbeeld is een oplopende schaal die aangeeft hoe resistent een kleurstof is tegen verbleken wanneer het wordt blootgesteld aan licht, hetzelfde principe geldt voor de wasechtheid en wrijfechtheid).

De voornaamste kleurstofgroepen zijn:

  • Reactieve kleurstoffen: Om de kleurvastheid te verbeteren zodanig dat de kleur goed bestand is tegen veelvuldig wassen, wrijven en licht wordt gebruik gemaakt van reactieve kleurstoffen. Deze techniek is duurder en complexer dan veel andere technieken maar veel beter. De kleurstoffen gaan een reactie aan met de vezel zelf en vormen daarbij een chemische binding. Deze binding is zeer sterk, zodat de kleurstof er moeilijk uitgewassen wordt en het textiel een uitstekende wasechtheid heeft. Reactieve kleurstoffen worden vooral gebruikt voor het verven van katoenproducten.
  • Directe kleurstoffen: Deze hechten zich niet makkelijk aan de vezels en daarom is de wasechtheid van deze kleurstoffen slecht. De lichtechtheid is wel goed, zodat ze gebruikt worden voor het verven van gordijnen.
  • Nafthol-kleurstoffen worden in twee fasen opgebracht en vormen pas kleurstofmoleculen in de vezel. De kwaliteit is goed maar het proces is duur en wordt daarom niet vaak toegepast.
  • Kuipkleurstoffen zijn onoplosbaar en danken hun naam aan de stap waarbij ze oplosbaar worden gemaakt (een reductiereactie, ook wel verkuipen genoemd). De kleurstoffen worden in opgeloste vorm in de textielvezels gebracht, waarna ze weer onoplosbaar worden gemaakt. Zo wordt de kleurstof opgesloten in de vezel. Kuipkleurstoffen worden toegepast als zeer goede kleurechtheid gevraagd wordt.
  • Zwavelkleurstoffen zijn het goedkopere alternatief voor kuipkleurstoffen. De eigenschappen van deze kleurstoffen zijn wel wat minder. De bekendste zwavelkleurstof is zwavelzwart, dit is eigenlijk de enige echte zwarte kleurstof.
  • Disperse kleurstoffen zijn praktisch onoplosbaar in water. Strikt genomen zijn het pigmenten, ze worden gebruikt voor het verven van polyester en andere synthetische vezels.
  • Pigmenten zijn niet in water oplosbare kleurstoffen. Ze hebben geen affiniteit met textiele vezels en kunnen alleen met een bindmiddel aan de buitenkant van de textielvezels worden aangebracht. De wasechtheid is minder doordat in de was gemakkelijk slijtage kan ontstaan. De lichtechtheid van pigmenten is in het algemeen wel uitstekend.

Printen is het aanbrengen van een vooraf bepaald patroon op het weefsel, het kan beschouwd worden als gelokaliseerd verven. Het afdrukken van een patroon op een reeds geverfd weefsel is ook mogelijk. Door de eeuwen heen zijn hiervoor verschillende technieken uitgevonden.

De oudste en meest simpele vorm is het blokprinten, waarbij men het textiel manueel gaat bedrukken met houten blokken, waarop een verhoogd patroon is aangebracht. De verhoogde delen van het blok worden door een verfkussen van verf voorzien, op het doek gelegd en met de hand of met een hamer aangeslagen. Het is ook mogelijk machinaal te drukken met smalle houten vormen, de zogenaamde perrotinedruk.

Tegenwoordig wordt textiel vooral bedrukt door zeefdruk. Het principe van de zeefdruktechniek is doordruk, dit is eigenlijk niets anders dan een verbeterde sjabloontechniek zoals reeds eeuwen wordt toegepast door huisschilders die regelmatig wederkerende motieven moeten schilderen.

De nieuwste opkomende technologie is het digitale (direct to garment) DTG printen, hierbij wordt gebruik gemaakt van inkjet technologie voor het bedrukken van het textiel.

Knippen en Naaien

De laatste stap voordat het textiel verpakt en gereed om verkocht te worden is het knippen en naaien in de gewenste vorm. Dit gebeurt door automatische snijmachines die de stof in de juiste stukken knippen en met naaimachines die de boven en onderkant gaan omzomen.

Hoe nu het juiste dekbedovertrek kiezen?

De keuze van het juiste katoenen laken is afhankelijk van uw persoonlijke voorkeuren en het seizoen waarin het gebruikt dient te worden. Voor warme slapers en tijdens de warme maanden zijn percale of lijnwaad geweven bedlakens aan te raden. Deze bindingen zijn losser en geven een fris en koel gevoel aan de stof die verbetert bij elke wasbeurt. Het is licht en ademend, wat perfect is voor onder te slapen in warme temperaturen. Nadeel is wel dat deze lakens sneller kreuken.

Koude slapers en de wintermaanden zijn het beste af met satijn. De satijnbinding is een zeer dichte binding die de lichaamswarmte goed vasthoudt. Bovendien geeft de glanzende bovenkant het weefsel een luxe uitstraling en is het beter bestand tegen kreuken. Flanel kan een waardig alternatief vormen voor satijn, door het borstelen van de vezels geeft deze stof ook een extra zacht, pluizig en warm gevoel.

Wat de kwaliteit van de katoenvezels zelf betreft zijn er wel een aantal regels om mee rekening te houden. Langstapelige gekamde katoenvezels die enkeldraads werden gesponnen zijn beduidend beter en zachter. Een extra kwaliteitsniveau kan nog toegevoegd worden door de mercerisatie van deze katoenvezels. Een hoge thread count na het weven betekent niet noodzakelijkerwijs een hogere kwaliteit, veel is immers afhankelijk van welk type garen er werd gebruikt.

Slaap zacht!

terug naar vorige pagina